Vooraf
Onze oud-collega Ton Wagenaars (1949 publiceerde in het verleden regelmatig diverse columns over het onderwijs. In 2001 verscheen een bundeling onder de titel “Wie heeft het klassenboek?” Ton was lange tijd werkzaam in het basisonderwijs in Vught en vanaf 1996
tot aan zijn pensioen op het Bossche Sint-Janslyceum. Daar was hij
aangesteld als docent Nederlands en geschiedenis.
“Steef”
En toen vroeg de rector om een minuut stilte….. En het was stil. Angstaanjagend stil. Minstens achthonderd scholieren bewogen niet, durfden niet te bewegen. Zelfs een papiertje kraakte…. Een minuut lang jankte de school in verbijstering zijn woede en ongeloof in zinderende stilte weg. Stephanie was gestorven en zou nooit meer door de gangen dollen. Stephanie stierf twee dagen voor haar vijftiende verjaardag…. Stephanie was dood…..
“Nekkramp” heette het monster, of nog giftiger: hersenvliesontsteking. Donderdag nog gewoon op school, normaal in de klas, gezellig in de kantine, nog zwaaiend op de fiets. Vrijdag koorts en….. zaterdag dood…..
De school rilde tijdens de afscheidsviering in de schoolhal. De foto van “Steef”, zoals haar vrienden haar noemden, was in duizendvoud verspreid en het gedenkkaartje herbergde een gedicht van Stephanie zelf. De overlijdensadvertenties uit de krant waren in agenda’s geplakt en het bericht van haar overlijden uit de krant werd in menig portemonnee meegetorst. Klasgenoten snikten gedichten voor, vrienden rapten hun droefheid en ongeloof weg en honderden maagdelijk witte ballonnen schommelden tegen het plafond in afwachting om losgelaten te worden voor hun laatste boodschap: “Alles van waarde is weerloos…..”
Zondagmiddag werd ik gebeld. Het was juist twee uur. Het was de conrector die altijd belt als er iets grondig mis is. Het behoort waarschijnlijk tot zijn vaste takenpakket. Hij had een uiterst vervelende mededeling. Onwaarschijnlijk tragisch zelfs… En toen kwam het verhaal…
Ja, zeker kende ik haar. Ze zat vorig jaar bij mij in de brugklas. Heel integer, rustig en vaak heel gedreven met mijn vak Nederlands.
“Neen, ik weet het. Ze zit niet in mijn klas, maar in een parallelklas. Ik zie haar zo’n drie keer per week in de gang hangen als ze op “audiëntie” gaat bij mijn collega.” Ik kreeg een steeds scherper beeld van haar en gedurende het gesprek merkte ik dat ik steeds twijfelde of ik over haar moest spreken in de tegenwoordige of verleden tijd. “Lacht ze altijd tegen me of lachte ze altijd tegen me? Heeft ze nu dat nieuwe vriendje of had ze pas een nieuw vriendje…?”
Het gesprek duurde ruim een kwartier en naarmate ik meer informatie kreeg, des te meer realiseerde ik me hoe groot onrecht kan zijn… Na verbazing kwam de woede; na de woede de talloze vragen.
Draaiboek
De school heeft voor dit soort extreme noodgevallen een heel draaiboek. Tientallen mensen zijn erbij betrokken. Het bleek dat de mentor al uren bezig was geweest en dat de rector, de conrector, de coördinator mavo en leden van de werkgroep “rouw en verdriet” al het hele weekeinde bezig waren met het overlijden van Stephanie.
Haar klasgenoten waren ingelicht en het bleek dat het bericht van de rampspoed zich als een wervelwind door de dorpen en steden aan het verspreiden was.
“Of ik mijn klas moest inlichten?” Ze kenden Stephanie ook goed. De meiden hadden gymnastiek met haar en een enkele jongen had meerdere keren met haar gedanst tijdens de schoolfeesten… “Neen”, luidde het antwoord van de conrector. De coördinator had al de gehele dag geprobeerd mijn klas te bereiken en in de meeste gevallen was hij daarin al geslaagd. Of ik morgen om acht uur akte de présence wilde geven als mijn “grut” binnen zou komen. Of ik ze op kon vangen als ze van de fietsenstalling kwamen. Ook de andere parallelklas zou opgevangen worden. Iedere parallelklas kreeg maandagmorgen een apart lokaal. Een lokaal wat uit het zicht van andere lokalen. Voor andere leerlingen die Stephanie goed kenden (of gekend hadden?) was nog een soort noodlokaal ingericht…. om bij elkaar te zijn en herinneringen op te halen. Haar eigen klas werd vanzelfsprekend ook opgevangen in een apart lokaal. Brugklascoördinator (van vorig jaar), mentor, coördinator, schoolarts en iemand van de “werkgroep rouw en verdriet” zouden daar ter plekke zijn.
“Niet waar hè, meneer?”
Ik was er die ochtend ruim op tijd. De hele zondag had het drama in mijn hoofd gespookt. Tijdens een bezoekje aan kennissen werd me op zondag al duidelijk dat het nieuws rondwaarde in volle vaart. Al veel meer mensen bleken het te weten.
Als geslagen honden kwam mijn “kudde” druppelsgewijs binnen. Velen met tranen in de ogen, een enkeling stroef voor zich uitkijkend. Soms bleek iemand niet verwittigd te zijn. Was weggeweest tijdens het weekeinde. De betroffene kreeg het soms vlak voor mijn nieuws te horen van een klasgenoot… “Niet waar hè, meneer?” En terwijl mijn keel dan schrompelde en ik niets kon zeggen, aaide ik de betrokkene dan maar veelbetekenend over haar haar. Het zei voldoende…
Schuine blikken
Mijn klas klonterde wat bij elkaar in het vreemde lokaal waar de bankjes in carrévorm bij elkaar waren gezet. Onderwijl kwam ook de rest van de school binnen. Luidruchtige groepen vol branie over de avonturen van het afgelopen weekeinde. Maar het werd direct duidelijk: deze maandag klopte er iets niet. In kleine groepjes werd gefluisterd. In stille hoekjes werd gehuild. Met schuine blikken werd gekeken naar de lokalen die aangewezen waren als opvangruimte. Daar zaten de meest rechtstreeks betrokken leerlingen, die van mavo-2…
Die ochtend bleef het de gehele dag stil op de anders zo turbulente gangen. Haast plechtig werd er rondgeschuifeld. Nauwelijks een kreet, geen gelach…. Veelal stilte en heel vaak gesnik en dat in zeer veel klassen….
“Niet eerlijk…”
In mijn klas bleef het stil. Niet een minuut of vijf, maar minstens twintig minuten. Als verdwaasd zaten ze bij elkaar. Niemand verroerde. Soms zag ik de coördinator voorbijkomen. Ik klampte hem aan. “Hoe is het in de andere drie lokalen?”
“Heel verdrietig en soms heel stil…” luidde zijn antwoord.
Omdat geen enkele leerling de stilte durfde te doorbreken, was het de coördinator die de eerste zinnen maar uitsprak: “Zoals jullie allemaal nu wel zullen weten, is dit weekeinde…”
Het deed iets breken in de klas. De emoties mochten eensklaps komen. En ze kwamen…. Massaal…. En ik liet ze…. “Het is niet eerlijk hè, meneer?”, het was Joris die de eerste rechtstreekse opmerking aan mij richtte. “Neen, Joris, dit is onrechtvaardig”. “Hoe kan God nu…” “Op dit soort momenten wil ik die naam niet eens horen Joris, sorry. Maar die kan er niets mee te maken hebben, volgens mij. Ik kan dit aan niemand uitleggen, hoe graag ik het ook zou willen.”
Ik probeerde toch nog iets stichtends te zeggen. “Toevallig dat we het onlangs nog hadden over het feit dat het zou kunnen voorkomen en hoe je dan met je verdriet moest omgaan. En denk nog eens aan die opsteltitel “Afscheid nemen…” Het zal allemaal wel toeval zijn geweest..” Tjonge, wat was ik verbaal soms sterk… die ochtend was ik zelfs volslagen monddood en blijkbaar accepteerde iedereen dat. Wie had er wel woorden voor….?
Bedevaartoord
Iedereen mocht hierna zijn of haar verdriet op zijn eigen wijze verwerken: erover praten, je gedachten op papier zetten, een tekening maken, een collage vervaardigen. Ieder idee mocht uitgewerkt worden. En zoals zo vaak, in tijden van vertwijfeling kwamen de beste ideeën.
In de hal van de school verscheen een gedenkhoekje dat in de loop van de week uitgroeide tot een bedevaartoord, een Sixtijnse kapel, uitpuilend van de bloemen, tekeningen, foto’s en gedichten. Een condoleanceregister groeide uit tot een boekwerk van honderden bladzijden. Hele klassen maakten collages, integer gevormde hartjes of van papier gevouwen opvliegende duiven… En gaandeweg de lange dagen naar de afscheidsviering bleef het groeien…
Eervolle opdracht
Onderwijl werd een afscheidsviering in elkaar gezet. Wie er allemaal bij betrokken waren is me nog niet duidelijk, maar alles was er op het juiste moment. Ik kreeg de eervolle opdracht van de rector een zin te bedenken voor onder de ballonnen…. Ik dacht er achtenveertig uur over na, schreef vier kantjes vol, maar gaf de opdracht tenslotte terug. “Ik kom niet verder dan de meest idiote clichés” luidde mijn uitleg bij de rector. “Ik kan er echt geen woorden voor vinden…” Ze snapte het gelukkig. Het bleef bij “Alles van waarde is weerloos…” van Lucebert.
“Afscheid is…”
Een collega van mij had bij de overlijdensadvertentie in de krant wel een tekst waaronder het fragment: “Waar is de zin van zoveel onbegrijpelijkheid. Waarom wordt toekomst in een klap verleden tijd?” Hoe kreeg hij het voor elkaar. Of die persoon die in het condoleanceboek schreef: “Afscheid is de geboorte van een herinnering…” Geweldig, waarom kon ik dat niet?

Indrukwekkend
Alles was klaar bij de afscheidsviering; de ouders waren door de rector ingelicht, de schoolarts had gezorgd dat alle gegevens over de Meningokokkenziekte (een even zotte naam voor een evenzo zotte ziekte) bij de ouders bekend waren en dat er eigenlijk geen gevaar bestond voor besmetting. Het gedenkboekje was klaar, de gedichten geschreven, de muziek gekozen en de hal ingericht met honderden stoelen. Alle spullen uit het gedenkhoekje waren opgesteld achter het spreekgestoelte en kaarsen lispelden hun vlammetjes naar boven…
Wie had al die ballonnen voorzien van helium, wie had er al die kaartjes aangemaakt, wie had…? Want hoe groot het verdriet ook was, de school draaide door met in de meeste gevallen alle lessen, schriftelijke overhoringen, proefwerken, herkansingen, vergaderingen…. Het werd heel indrukwekkend met na afloop het geluidloos oplaten van de wolk ballonnen als een laatste boodschap van de school…
Niet belangrijk
Het merendeel van de honderden leerlingen sloop hierna naar huis…. het zou vakantie zijn…
De familie van Stephanie en enkele direct betrokkenen gingen nog even naar de lerarenkamer voor een kop koffie en een gesprek…
In de fietsenstalling stond Erik van Veen. Vertwijfeld liep hij rond, terwijl kluchten fietsers bijna geruisloos de binnenplaats van de school verlieten. “Godverdomme, ook dat nog…”, klaagde hij tegen me. “Iets mis Erik?” “Volgens mij hebben ze mijn fiets gejat, meneer.” En voor het eerst ging ik eens niet in op zijn verlies. Het was eruit voor ik het wist. “Op sommige dagen is dat niet belangrijk Erik, nietwaar?” Even keek hij me niet begrijpend aan. Toen glimlachte hij even. “Is ook zo… Ik ga wel lopen. Morgen is er weer een dag, hè meneer?” Ik knikte wat traagjes. “Klopt Erik, morgen is er weer een dag… voor bijna iedereen…”
@Nieuwsbrief 2, juni 2026